Op deze pagina treft u informatie aan over recent verschenen werk.

NIEUWS

Op 31 oktober 2003 verscheen bij uitgeverij Waanders in Zwolle de uitgave Literaire wandelingen in Overijssel: Salland. De uitgave werd feestelijk gepresenteerd in Olst. Er is heel veel leuks literairs te beleven in dit deel van de wereld! In de wandeling is ondermeer mijn geboortedorp (Mariënheem) opgenomen. Het boek is te bestellen via Uitgeverij Waanders.

Eind maart 2002 verscheen de roman De vertellers bij J.M. Meulenhoff bv.

Presentatie

De vertellers is op 28 maart j.l. feestelijk gepresenteerd in boekhandel Kooyker Ginsberg, Breestraat 93 te Leiden. De schrijfster Jessica Durlacher heeft een korte inleiding gehouden over het boek. Op 4 mei 2001 sprak Durlacher bij de Nationale Dodenherdenking over de vraag in hoeverre schrijvers de vrijheid hebben met het verhaal over de Tweede Oorlog aan de haal te gaan. "De Tweede Wereldoorlog dendert langzaam het gebied van de fictie binnen," sprak ze. "Onherroepelijk zullen kunstenaars zich van deze krankzinnige periode meester maken, met alle meedogenloosheid die daarbij hoort." Dit is precies wat Kars Wieland, de hoofdpersoon van De vertellers, met zijn toneelstuk doet en wat hem niet door iedereen in zijn omgeving in dank wordt afgenomen. Door de geschiedenis van zijn vader te nemen zou hij een loopje nemen met de historische werkelijkheid. Volgens Jessica Durlacher moet een schrijver zich daar niets van aantrekken: "Het heeft te maken met een samenzwering waarin men predikt dat alles wat maar een beetje op de werkelijkheid lijkt, in zekere zin niet helemaal eerlijk is - een vorm van diefstal. Mijn mening is: de schrijver is souverein", zei ze bij de presentatie.

Besprekingen van De vertellers in de pers:


In De Telegraaf

Ingrid Hoogervorst schreef onder de kop "Fraai gecomponeerde meerstemmige romen" ondermeer: "Voor het schrijven van een roman heb je niet altijd genoeg aan een helder hoofd en creativiteit. Een auteur moet ook inlevingsvermogen en psychologisch inzicht hebben. Dat Rikki Holtmaat (1952) daarover beschikt, toonde ze al vier jaar geleden met haar debuut 'De koningin van Lombardije': mooie, afgemeten verhalen over een onheilspellende jeugd in een grimmig plattelandsmilieu. Twee jaar later verscheen haar roman 'Het gebroken woord' over een 14-jarig meisje dat seksueel wordt misbruikt door haar omgeving. In beide boeken grijpt Holtmaat de lezer bij de strot. Niet met grote, dramatische gebeurtenissen, maar kleine dagelijkse scenes, waarin een soort van vanzelfsprekende liefdeloosheid van ouders voor hun kinderen troef is. Beladen gezinsverhoudingen blijven inspiratiebron. Ook in haar zojuist verschenen roman 'De vertellers' spelen alle mogelijke gevoelens tussen gezinsleden - liefde, onverschilligheid, leugenachtigheid, woede, verdriet en wraak - een rol. 'De vertellers' is een meerstemmige roman over een oorspronkelijk boerenfamilie Wieland. Zo'n twaalf vertellers zijn afwisselend aan het woord. (...) Met die verschillende perspectieven bouwt Holtmaat behoedzaam haar verhaal geconcentreerd rond een dag, 11 mei 2000, op. (...) Knap gecomponeerd en buitengewoon spannend geeft Rikki Holtmaat dit gegeven vorm. (....) 'De vertellers' is een intrigerende, speelse roman. In de mozaiek van verhalen houdt Holtmaat de touwtjes stevig in handen en weet ze de lezer tot de laatste bladzijde in spanning te houden."

In de Leeuwarder Courant

"Een beladen familiegeschiedenis". Onder die kop schreef Gerit Jan Zwier over De vertellers. "In het centrum van de roman troont de persoon van Albert Wieland. Zijn leven wordt beheerst door wat hij tijdens de Duitse inval meemaakte, (...). Aanvankelijk weigerde hij te spreken over wat er die dag gebeurd was. Nadien vertelde hij er geregeld over, steeds op dezelfde manier. Iedereen diende dan zijn mond te houden. Iedereen had zo zijn eigen motieven om de oren al of niet te sluiten. In 'De vertellers' komen ze allemaal aan bod, vele jaren na Alberts dood. Het is de dag dat 'De vertelling', het toneelstuk dat zoon Kars over zijn vader geschreven heeft, in premiere zal gaan."
Zwier laat de hoofdrolspelers de revue passeren en komt tenslotte uit bij de tweelingbroers: "Dan zijn er de tweelingen, ook kinderen van Jetta, die als het koor van een Griekse tragedie in het verhaal zijn ingebed. Zij, leerlingen van een toneelschool, spelen hun eigen spel. (...) Zij vinden dat het authentieke verhaal gehandhaafd moet blijven. Op de avond van de premiere willen zij Kars een dubbele spiegel van zijn ijdelheid en kunstemakerij voorhouden. (...) Aanvankelijk komt het verhaal over een vader diet altijd hetzelfde vertelt en een zoon die daar een toneelstuk over schrijft wat gekunsteld over. Maar die indruk verdwijnt snel. Want de beladen familiegeschiedenis, die vanuit vele gezichtspunten wordt verteld, ontvouwt zich als een boeiende vertelling die de lezer moeiteloos naar de avond van de premiere voert." (19 april 2002.)

Informatie over De vertellers in de boekhandelsbrochure van J.M.Meulenhoff:

Roman
ISBN / NUGI 300
Maart 2002

Op 11 mei 2000, precies zestig jaar nadat soldaat Albert Wieland het ouderlijk huis kwam binnenvallen en zich zwijgend terugtrok in zijn kamer, gaat een toneelstuk van zijn zoon Kars in première.
Albert begon pas na de oorlog aandacht te eisen voor zijn traumatische ervaringen aan de IJssellinie, en hij bleef dat doen tot aan zijn dood. Aan het verhaal van zijn vader heeft Kars Wieland nu een toneelvoorstelling gewijd, waarin hij met opzienbarende stijlvariaties een eigentijdse draai geeft aan de overlevering. Niet iedereen in de familie voelt zich op de premièredag echter even gemakkelijk bij het blootleggen van de geschiedenis.
Rikki Holtmaat schreef met De vertellers een originele, bewogen roman. Meedogenloos betast ze de beurse plekken in het collectieve geheugen van Nederland: wat hebben we geleerd van de Duitse bezetting, en wat bijvoorbeeld van Srebrenica? Hebben wij er uberhapt iets van geleerd? De vertellers in De vertellers vertolken zo de pijnlijkste gebeurtenissen uit het recente verleden.

Voorpublikatie

Bij wijze van voorpoefje volgen hier het voorwoord en twee hoofdstukken van De Vertellers.

Motto

"Why do you want to share your suffering?"
"By sharing it I will dilute it."
"But it seems like it might be just the opposite – by sharing it you might be amplifying it"
"How do you mean?""
"Well, by telling everyone about it, you purge yourself, but then, because everyone knows this thing about you, everyone knows your story, won’t you be constantly reminded of it, unable to escape it?"
Uit: Dave Eggers: A heartbreaking work of staggering genius.

Bericht aan de lezer

U kunt dit boek chronologisch of personalistisch lezen. Het voordeel van de eerste methode spreekt voor zich: u zult van deze lange dag geen minuut missen, niets dat van enig belang is, kan u ontgaan, uw nieuwsgierigheid zal optimaal worden bevredigd. Het nadeel is – dat zult u merken zodra u de nachtelijke uren dromend en piekerend hebt doorlopen – dat de tijdsbeweging van het verhaal trekken vertoont van een processie van Echternach. Echte lezers, echter, maakt het niet uit hoe lang een boek duurt.
Het onmiskenbare voordeel van de tweede leesmethode is dat u personages die u op het eerste gezicht al niet bijzonder aardig vindt of die u niet bijster interessant voorkomen, evenals in het gewone leven, kunt (proberen te) negeren. Of u een dik of een dun boek leest, bepaalt u op die manier zelf. Stemmen die u irritant vindt, smoort u door rap door te bladeren tot u weer iemand tegen komt die u wel bevalt, hoogdravend getheoretiseer laat u voor wat het is, oeverloos relatiegeleuter aan de koffietafel kunt u eenvoudigweg overslaan – al naar gelang uw achtergrond en belangstelling. En dát zonder dat u de draad van het verhaal hoeft te verliezen. U doet dan in wezen niets anders dan de auteur, die zevenenveertig andere mensen, die een zegje hadden kunnen doen over Albert Wieland of over het toneelstuk van zijn zoon Kars, buiten haar roman heeft gehouden.
Het nadeel is hier, dat kan niet onvermeld blijven, dat u wel leest wat een bij u in de smaak vallende persoon denkt/zegt, maar niet te weten komt wat óver hem/haar wordt gedacht/gezegd. Wie evenwel niet van roddel en achterklap houdt, zal daarin alleen maar voordeel zien.
Bij deze ene leestip wil ik het laten. Er zijn tegenwoordig schrijvers die zowat een half boek nodig hebben ter introductie op hun roman; uit eigen ervaring weet ik echter dat een voorwoord langer dan één pagina in de regel ongelezen blijft.
Chronologisch of personalistisch dus. U ziet maar.

00:15 - 00:18 WIJ

Wij dromen. Innig verstrengeld lopen wij de komende speeldag door. We hebben op de kop af twintig uren te gaan. Voor ons cyclopisch geestesoog ontrolt zich het scenario van de van minuut tot minuut zenuwslopender wordende Werdegang van onze ome Knar; de waanzinnig besmettelijke plankenkoorts, die lichaam en geest van de meester teistert, slaat op ons over, de adem giert door onze keel, het opgejaagde bloed kruipt waar het niet gaan kan. “Oh, ome Knar, help ons, jonge onervaren theatreurs die wij zijn, deze zenuwslopende premièredag door!” De goede man is te ver heen bemerken we: zijn razendknappe mannenhoofd is met zaagsel gevuld, er is in zijn geheugen geen spoor van tekst te bekennen, tussen zijn ogen bungelt het teken van die ene, zijn ganse leven bepalende vraag: ben ik, de grote Kars Wieland – die zich als een ware baron Von M. aan eigen haren uit het moeras der provinciale benepenheid heeft getrokken – een súc-cès? Schuilend onder de dekmantel van zijn langwerpige schaduw volgen wij hem in zijn ijdele gang langs al zijn gegronde twijfels en wankele zekerheden. Hij ploetert de dag door, duwt alles en iedereen die hem voor de voeten loopt aan de kant, heeft maar één doel: hij moet óp! Door kronkelige straten en stegen, die als een kunstig gevlochten doolhof das Endziel aan het zicht onttrekken, over horden, op vierbaanswegen in file opgestelde ronkende auto’s, oplopend tegen openstaande bruggen (dan maar één, twee, drie, in godsnaam! een duik in de drukbevaren Maas), zwemmend kriskraskruisend tussen olietankers en loodsboten laverend, en ten slotte per mountainbike de burcht beklimmend waarbinnen de tempel van zijn muze staat, zo bereikt hij, zo bereiken wij, ten lange leste het theater. Een ondoordringbare metershoge vestingmuur doemt voor hem op, doemt voor ons op, wij sluipen eromheen als een kat op zoek naar het muizengaatje, er is nergens een deur of raam of zelfs maar het kleinste kiertje te bekennen, ome Knar noch wij kunnen binnendringen in het domein van de nar, waar waan-zin werkelijkheid is (en omgekeerd).

Op de oogverblindend witgekalkte blinde muur van de schouwburcht dromen wij een reusachtige stationsklok met twee wijzers: de lange zwarte, die zich van minuut tot minuut oneindig moeizaam voortsleept in de richting van het eenentwintigste uur, tien steigerende paarden slagen er bij tijd en wijle in hem een stukje terug te trekken, of tenminste enige ogenblikken op zijn plaats te houden, maar leveren uiteindelijk een verloren strijd tegen de driftig voortstappende korte rode wijzer, een kortstaartig dikkoppig vuurspuwend monstertje dat geheel op eigen kracht de godganse dag er doorheen jaagt: het uur der waarheid komt onverbiddelijk dichterbij, de poorten van het rijk waar schijn en zijn in elkaar opgaan openen zich, de kassa’s rinkelen, in de van regietafel en repetitierommel ontdane zaal vullen zich rij na rij de stoelen met het toegestroomde publiek en niet te vergeten met sceptische critici, die verbijsterd staren naar de naakte, onvoorbereide speelvloer waarop ome Knar schittert door afwezigheid. Wij staan daar in zijn plaats, in het verkeerde kostuum en zonder ook maar één letter tekst: “Heer God, vergeef ons onze aangeboren ijdelheid, amen!”

13:32 – 13:35 EVA

Fax van EVA KRUYT aan KARS WIELAND.
Hierbij zoals afgesproken mijn stuk ter inzage. S.v.p. uw reactie voor 16.00.
Foto: Koen Wanders
Tekst: Eva Kruyt
Kop: Eindredactie
Aantal woorden: P.M.

Kars Wieland heeft met mij afgesproken in het café tegenover het theater waar binnenkort zijn stuk in première zal gaan. Blijkbaar is het de stamkroeg van De Dokwerkers, het Rotterdamse toneelgezelschap waar Wieland al sinds begin jaren negentig deel van uit maakt. Als ik binnenkom, zit hij met een kring luisteraars om zich heen luid te oreren. Ik stel voor ergens anders te zitten, maar Wieland heeft moeite zich uit het tableau de la troupe los te rukken. Uiteindelijk belanden we in een hoekje van het café, waar we zo nu en dan worden onderbroken door een lachsalvo of de dreunende stem van de nestor van De Dokwerkers, de acteur Wiebe Bolland. ‘Overloper!’ roept Bolland op een bepaald moment in onze richting.
U zet met dit stuk de stap van acteren naar schrijven en regisseren. Wat heeft u er toe gebracht het roer om te gooien?
‘Op een gegeven moment ben je eraan toe iets anders te doen, ook al besef je dat vaak pas nadat je die stap al hebt gezet. Wat en hoe mensen over hun leven vertellen heeft me de laatste vijf jaar, sinds mijn vader is gestorven, enorm sterk beziggehouden. Ongeveer een jaar na zijn dood realiseerde ik me dat ik zijn verhalen, hoe vaak hij ze ons ook had verteld, niet meer zou kunnen navertellen. Zijn gezichtsexpressie, de gebaren die hij met zijn handen maakte, de manier waarop hij in zijn stoel zat, dat had ik heel duidelijk op mijn netvlies staan, maar de woorden, de zinswendingen en typische zegswijzen die hij gebruikte waren weg. Ik heb daar een hele tijd mee rondgelopen, tot ik zo’n anderhalf jaar geleden besloot om te proberen al schrijven dat verhaal alsnog te reconstrueren. Achter mijn schrijftafel, met een leeg blad papier voor mijn neus, heb ik middagen lang geprobeerd de woorden van mijn vader terug te vinden.’
Was het niet eenvoudiger aan uw familieleden te vragen of die het nog wisten?
‘Dat heb ik gedaan. Iedereen vertelde het op haar of zijn manier na, maar dat was niet wat ik zocht.’
Waarom was het zo belangrijk de precieze bewoordingen van dat verhaal te achterhalen; was de strekking of de boodschap ervan niet genoeg?
‘In dat stadium dacht ik dat het essentieel was om het exact te weten. Alleen op die manier zou ik wat hij echt had meegemaakt op die 10e mei 1940 nog door mogen vertellen. Ik dacht dat ik de historische waarheid geweld aan zou doen als ik het op mijn eigen manier zou doen.’
Hebt u het uiteindelijk wel gevonden?
‘Nee. Maar door dat zoeken naar de verdwenen taal van mijn vader kwam ik erachter dat je door te schrijven de betekenis of het belang van een bepaalde gebeurtenis telkens net iets kunt laten verschuiven. Je kunt als het ware weer beweging brengen in een gebeurtenis die geschiedenis is geworden, verdord is, of hoe je het ook maar wilt noemen. Ik ben daar verder mee gaan experimenteren. En daar is tenslotte dit stuk uitgekomen.’
U heeft samen met Stefan Leopold de regie gevoerd. Hoe is dat, om een eigen stuk onder regie te hebben en er ook nog zelf in te spelen?
‘Stefan kennen elkaar al jaren en we zijn heel goed bevriend, we hadden weinig tijd nodig om tot deze werkverdeling te komen. Stefan was de productieleider en hij concentreerde zich op het spel van de acteurs, inclusief op dat van mij, ik heb me vooral op de enscenering gericht. Dat lag ook voor de hand: terwijl ik zat te schrijven zag ik precies voor me in wat voor omgevingen het verhaal moest worden neergezet, welke geluiden ik eronder wilde zetten; ik had het al tot in de details uitgedacht.’
U heeft zeven varianten op het verhaal van uw vader gemaakt. Waarom zeven?
‘Ja, waarom? Het hadden er net zo goed veertien kunnen zijn, of vierentwintig. Je moet ergens ophouden. De aanleiding om zeven versies te maken is dat ik op een dag, al lezend in de Faust, stuitte op de woorden “Mein Freund, die Zeiten der Vergangenheit sind uns ein Buch mit sieben Siegeln”. Deze regels bleken terug te gaan op Openbaringen 5, vers 1: “En ik zag in de rechterhand desgenen, die op de troon zat, een boek, geschreven van binnen en van buiten, en van buiten verzegeld met zeven zegelen.” Als ik mijn vaders geschiedenis nu op zeven verschillende manieren verbeeld, dacht ik, dan kan ik het mysterie dat daarin school misschien ontrafelen, dan kan ik het verhaal misschien weer tot leven brengen.’
Het verhaal van uw vader was dood?
‘Ja. Ik heb het wel eens vergeleken met een mummie. Uiterlijk was het intact, maar van binnen was het leeg. Iemand in de familie heeft het ooit een fossiel genoemd: het verhaal was slechts een versteende afdruk van iets wat ooit echt had bestaan.’
Is dat de reden waarom u een van de varianten in een natuurhistorisch museum heeft geënsceneerd?
‘Inderdaad. Tussen glazen potten met geconserveerde menselijke resten. De conservator van dat museum, die in die scène het verhaal vertelt, weet het helemaal tot leven te brengen. Dat bewonder ik altijd in dergelijke mensen: ze weten je verbeelding te prikkelen bij het kijken naar een dood ding. Toen ik het verhaal van mijn vader eenmaal voor me zag als een museumstuk, was ik in staat daarbij wel een levende geschiedenis te verwoorden. Een verhaal op sterk water omdraaien in een sterk verhaal, dat was mijn doel.’
Uw enscenering is hier en daar heel gewaagd. Neem die variant waarin u een operakoor op het Agnus Dei uit het Requiem van Mozart het verhaal laat zingen. Alleen de keuze van de muziek al! Bovendien tuimelt de toeschouwer van de ene vertelsituatie in de andere: direct op het Requiem volgt een absurdistische scène, die zo ontleend lijkt te zijn aan het werk van Daniil Charms. Voelt u zich zo vrij om deze nogal bizarre overgangen te maken omdat u nooit een toneelopleiding heeft gedaan?
‘Verandering van spijs doet eten. Door zo te variëren hou je een geschiedenis in leven.’
Maar u kunt het verhaal dan wel in leven houden, de verteller sterft uiteindelijk toch!
‘Uiteindelijk wel, ja. Maar je moet voorkomen dat je al gedurende je leven een fossiel van jezelf wordt. Je bent wie je vertelt dat je bent. Je zult je levensverhaal met de tijd mee moeten laten gaan, anders wordt het een gevangenis. Het komt eropaan het verhaal over je leven voortdurend te transformeren tot iets nieuws, zoals ook de cellen van je lichaam zich voortdurend verjongen. Stopt dat proces, dan sterf je langzaam af.’
Als je het verhaal over jezelf voortdurend aanpast aan de veranderde omstandigheden van je leven, wat is er dan nog wáár over dat leven. Wie ben je dan écht?
‘Ha, de onvermijdelijke vraag naar het ware zelf!’
Beantwoordt u hem dan eens!
‘Daar begin ik niet aan.’
U verandert uw identiteit door het verhaal over uzelf telkens anders te vertellen, zoals andere mensen dat doen door een andere naam aan te nemen?
‘Je zou het daarmee kunnen vergelijken, ja. Een naamsverandering gaat ook dieper dan een ander etiket op jezelf plakken, het is een kwestie van een heel andere kijk op jezelf ontwikkelen. Vroeger, thuis en op de lagere school, heette ik Corrie, naar mijn grootvader, Cornelis Wieland. Ik had een oom en acht neefjes die ook zo heten, verder waren er nog vijf jongens met de doopnaam Cornelis in mijn klas, omdat dat de naam was van de patroonheilige van de dorpskerk, het was dus bepaald niet iets om me mee te onderscheiden van de rest van de goegemeente. Buiten het dorp, op de middelbare school in de grote stad, bleek Corrie een meisjesnaam te zijn – aanleiding voor heel wat gepest – zodat medelijdende leraren er Cor van hebben gemaakt. Wat voor mijn Rotterdamse studiegenoten reden was me Knor of Knorretje te noemen, vandaar dat ik hem zelf uiteindelijk in Kars heb veranderd.’
Wat een echte stoere, mannelijke naam is. Dat is dus uw huidige zelfbeeld?
‘Min of meer. Misschien is het langzamerhand tijd iets te kiezen wat zachter klinkt, minder hoekig.’
Het stuk heet ‘De vertelling’, maar het gaat behalve om het verhaal vooral ook over de verteller ervan. Over uw vader, dus. Wat was dat voor een man?
‘Mijn vader had graag een gehoor, hij vond het heerlijk midden in de aandacht te staan.’
Geldt dat niet ook voor u?
‘Zeker. Anders was ik geen acteur geworden.’
Gedurende het stuk is op een paneel tegen de achterwand een levensgrote zwart-witte videopresentatie te zien van een man die met een groepje mensen om zich heen zit te vertellen. Heel langzaam verschuift het beeld: de man wordt ouder, de mensen keren zich steeds meer van hem af. Aan het eind van de zevende acte, net voor het doek valt, vergroot u het beeld uit tot het de hele achterwand beslaat en komt er ook geluid bij. Het beeld komt in beweging. De man draagt met krakende stem iets onverstaanbaars voor, iedereen zit nu met hun rug naar hem toe en praat er doorheen. Ik neem aan dat dit het echte beeld van uw vader is, zoals u zich hem herinnert. Is het niet heel hard om je rug naar die vertellende man te keren, zeker als je weet wát hij daar aan het vertellen is?
‘We zaten niet letterlijk met onze rug naar hem toe, maar we kletsten er wel eens doorheen als mijn vader weer op zijn praatstoel zat. Het kon soms niet anders. Hij was niet te stoppen, het ging maar door. We zijn als kind door onze moeder getraind om hem nooit te onderbreken. Als vader vertelt behoor je eerbiedig te luisteren. Maar als volwassenen brachten we dat niet altijd meer op. Niemand bracht het nog op. Mijn moeder wilde net zo min naar het verhaal van mijn vader luisteren.’
U komt uit een familie van boeren. Was dat geen grote overstap naar de wereld van het toneel?
‘De stap van de provincie naar de stad was inderdaad dertig jaar geleden nogal groot. Het platteland was in die tijd dichtgeplakt met behangpapier, kranten werden er niet veel gelezen, althans geen landelijke. Ik ging op mijn achttiende in Rotterdam op kamers toen ik daar ging studeren. Ik zou econoom worden. Rekenen kon ik tenslotte heel aardig. Maar ik ging al na drie weken niet meer naar college, vond mijn medestudenten maar saaie pieten. Echte nerds zouden we tegenwoordig zeggen. Via mijn studentenvereniging ben ik in de wereld van het toneel terechtgekomen. Daar voelde ik me meteen op mijn plaats. Voor mijn vader was het natuurlijk een grote teleurstelling. Hij had het liefst gezien dat ik naar de Landbouwhogeschool in Wageningen was gegaan.’
Hoe zou u de relatie met uw vader karakteriseren?
…. (Hier graag max. 50 woorden invullen!)
Bent u van plan nog meer toneelstukken te gaan schrijven en te regisseren?
‘Dat weet ik nog niet. De ervaring van dit stuk moet nog bezinken. Nu zou ik kunnen zeggen dat ik schrijver ben, of regisseur. Ik heb die woorden, als het over mijzelf gaat, nog nooit in de mond genomen, het is even wennen hoe dat voelt, wat dat doet met mezelf.’